Patiënten vragen vaak hoeveel millimeter projectie een Kinimplantaat en projectie moet hebben: 4 mm, 6 mm, 10 mm of nog meer? Daar bestaat geen vast antwoord op. Dezelfde implantaatdikte kan bij twee mensen een heel ander effect geven. Dat hangt onder meer af van de bestaande botstructuur, de gezichtsverhoudingen en de dikte en vorm van het zachte weefsel. [1] [2] [3]

Een betere vraag is daarom: hoeveel extra projectie past bij de rest van het gezicht? Om dat te bepalen moet worden gekeken naar de onderkaak, de verhoudingen van het gezicht, de dikte van het zachte weefsel, de breedte van de kin en de verticale hoogte. Met 3D-planning kunnen deze kenmerken gezamenlijk in het behandelplan worden meegenomen. [1] [4] [5]

Belangrijkste punten

  • Een kinimplantaat van 4, 6 of 10 mm geeft niet bij iedereen hetzelfde resultaat. Een natuurlijke uitstraling hangt af van de verhouding tussen de kin, de kaak en de rest van het gezicht.
  • Het zachte weefsel beweegt niet altijd precies evenveel mee als het bot. Onderzoeken naar genioplastiek laten zien dat deze verhouding kan verschillen per techniek en per patiënt.
  • Niet alleen voorwaartse projectie telt. Ook de breedte en verticale hoogte van de kin bepalen de vorm van het onderste deel van het gezicht.
  • Bij 3D-planning kunnen CT-beelden, digitaal ontwerp en metingen van de gezichtscontour worden gebruikt om een plan te maken dat is afgestemd op de individuele anatomie.

Waarom 4 mm, 6 mm of 10 mm op zichzelf weinig zegt

De dikte van het implantaat is maar één onderdeel

Met een “kinimplantaat van 6 mm” wordt meestal de maximale dikte of projectie in het midden van het implantaat bedoeld. Dat getal beschrijft dus het implantaat zelf. Het betekent niet automatisch dat de zichtbare kin precies 6 mm naar voren komt. Onderzoek naar genioplastiek laat zien dat het zachte weefsel niet volgens één vaste verhouding reageert. [3] [6] [7] [8]

In een publicatie uit 2003 werden kinimplantaten beschreven met diktes van ongeveer 4 tot 12 mm of meer. De keuze werd gekoppeld aan de bestaande kromming en vorm van de kin in profiel. Een implantaat van 6 of 10 mm was daar dus een voorbeeld voor een bepaalde uitgangssituatie, geen algemene norm voor wat natuurlijk oogt. [3]

De uitgangssituatie bepaalt veel

Twee mensen kunnen een implantaat met dezelfde maximale projectie krijgen en toch eindigen met een heel ander profiel. Hun gezicht en skelet zijn vóór de operatie immers niet hetzelfde. [1] [2] [3]

Een terugliggende of weinig prominente kin kan bovendien onderdeel zijn van een bredere verhouding in het onderste deel van het gezicht. Daarbij kunnen bijvoorbeeld ook de stand van de onderkaak, de positie van de onderlip, de plooi tussen onderlip en kin en de hoogte van het onderste derde deel van het gezicht een rol spelen. [2]

De gezichtsverhoudingen bepalen het doel

De projectie van de kin moet passen bij het onderste deel van het gezicht

Er bestaan verschillende methoden om de voorwaartse positie van de kin in profiel te beoordelen. Er is geen universeel getal dat voor iedereen geldt. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de onderlinge verhoudingen van het gezicht en naar eventuele afwijkingen in de kaakstand. Als een onderliggende skeletale afwijking wordt vermoed, kan aanvullend cephalometrisch onderzoek nodig zijn. [1]

Ook de verticale hoogte van de kin speelt mee. Alleen meten hoeveel de kin naar voren komt, geeft daarom een onvolledig beeld. De kin moet in verhouding staan tot zowel het middelste als het onderste deel van het gezicht. [1] [2]

Ook de breedte verandert de contour

De kin is een driedimensionale structuur. Voorwaartse projectie is maar één onderdeel. Ook de breedte van de kin beïnvloedt de vorm van de kaaklijn en het onderste deel van het gezicht. [1] [4] [5]

Voor kaaklijnimplantaten geldt hetzelfde. Een implantaat ter hoogte van de onderkaak kan de breedte, contour en hoogte veranderen. Eén maat voor voorwaartse projectie beschrijft dus nooit het volledige resultaat. [4]

Een studie uit 2025 naar patiëntspecifieke kaakhoekimplantaten bij 18 patiënten die orthognathische chirurgie ondergingen, rapporteerde gemiddeld 4,6 mm volumetoename in het gebied van de kaakhoek. Dit was een gemeten verandering van het zachte weefsel na de operatie, geen aanbevolen implantaatdikte. [9]

Zacht weefsel bepaalt mede wat je uiteindelijk ziet

Zacht weefsel beweegt niet hetzelfde als bot

Vectorillustratie van een kinprofiel die een skeletale verplaatsing van 1 millimeter naar voren laat zien, wat resulteert in slechts 0,8 millimeter verplaatsing van de weke delen ter hoogte van het huidoppervlak.
Weke delen volgen skeletale veranderingen niet perfect. Cefalometrische studies wijzen erop dat een voorwaartse verandering van 1 mm in het bot zich vaak vertaalt in minder dan 1 mm zichtbare verandering ter hoogte van de huid.

De zichtbare vorm van de kin ontstaat uit de combinatie van de onderkaak en het zachte weefsel eroverheen. De dikte en reactie van dat zachte weefsel bepalen mede hoe een verandering van het bot of een implantaat aan de buitenkant zichtbaar wordt. Onderzoek naar genioplastiek laat zien dat deze verhouding niet bij iedere patiënt of techniek gelijk is. [7] [8] [6]

In één cephalometrisch onderzoek ging 1 mm voorwaartse verplaatsing van een botpunt bij de kin samen met ongeveer 0,8 mm verplaatsing van het bovenliggende zachte weefsel. [7]

Een andere studie vergeleek twee genioplastiektechnieken en rapporteerde verhoudingen tussen bot- en zachteweefselverplaatsing van 0,83 en 0,99. [6]

Ewing en Ross vonden bij patiënten waarbij genioplastiek werd toegevoegd gemiddeld een verhouding van ongeveer 0,9 : 1 ter hoogte van het pogonion. Zij zagen daarnaast een gemiddelde afwijking van ongeveer ±2,6 mm tussen de verplaatsing van bot en zacht weefsel. [8]

Dit zijn gemiddelden uit groepen patiënten. Ze kunnen niet als vaste formule voor ieder gezicht worden gebruikt.

De dikte van het zachte weefsel verschilt per persoon

Niet iedereen heeft evenveel zacht weefsel over de kin. In een CBCT-studie onder 385 volwassenen werden verbanden gevonden tussen de dikte van het zachte weefsel, het gezichtstype en het geslacht. De onderzoekers concludeerden dat de dikte van het zachte weefsel individueel moet worden beoordeeld vóór chirurgie aan de onderkaak of kin. [10]

Daardoor kunnen twee mensen met vergelijkbare botmaten na dezelfde botverplaatsing of dezelfde implantaatdikte toch een verschillend zichtbaar resultaat krijgen. [10]

De bestaande botstructuur kan een groot verschil maken

Een terugliggende kin staat niet altijd op zichzelf

Een terugliggende kin kan samengaan met een verder naar achteren gelegen onderkaak en met veranderingen in de positie van de onderlip, de kin-lipplooi en de hoogte van het onderste deel van het gezicht. [2]

Een implantaat voegt volume toe boven op het bestaande skelet; het verplaatst de onderkaak zelf niet. Bij een grotere afwijking in de positie van de onderkaak kan het behandelplan daarom bestaan uit een kinimplantaat, een genioplastiek, orthognathische chirurgie of een combinatie daarvan. Welke optie passend is, hangt af van de individuele anatomie. [1] [2]

Ook de verticale hoogte telt mee

Vectorcontouren van het onderste deel van het gezicht, van voren en in profiel, met pijlen die drie richtingen van kinaugmentatie aangeven: voorwaartse projectie, verticale hoogte en horizontale breedte van het Kinimplantaat en projectie.
Een natuurlijk ogende kin vereist een beoordeling in drie dimensies. Alleen de voorwaartse projectie beoordelen, negeert de verticale hoogte en laterale breedte, die een grote invloed hebben op de contour van het onderste deel van het gezicht.

Een kin kan in meerdere richtingen te weinig volume of projectie hebben. Bij een genioplastiek kan niet alleen de voorwaartse positie, maar ook de verticale positie van de kin worden aangepast. Eén maat voor voorwaartse projectie vertelt daarom niet het hele verhaal. [1] [2] [6]

Wat 3D-planning toevoegt

CT-beelden laten de uitgangsanatomie zien

3D-planning kan uitgaan van de werkelijke botstructuur van de patiënt. In gepubliceerde behandelmethoden worden CT-gegevens gebruikt om driedimensionale modellen van de onderkaak te maken en patiëntspecifieke implantaten te ontwerpen. Bij asymmetrie kan bijvoorbeeld ook gebruik worden gemaakt van spiegeling van de andere gezichtshelft. [4] [5]

Het doel is een vooraf geplande contour

Bij computergestuurde kinaugmentatie kunnen 3D-CT-gegevens en geprinte modellen worden gebruikt om een implantaat te ontwerpen dat aansluit op de anatomie van de patiënt. [5]

Zo’n planning biedt geen garantie op het uiteindelijke resultaat. Het voordeel is dat het ontwerp kan worden gebaseerd op de individuele anatomie en de gewenste contour, in plaats van op één standaardmaat. [4] [5]

Hoe een chirurg naar het aantal millimeters kijkt

Een goede planning begint niet met de vraag of het implantaat 4, 6 of 10 mm moet zijn. Eerst worden het profiel, de hoogte van het gezicht, de breedte van de kin, de vorm van de onderkaak en de eigenschappen van het zachte weefsel beoordeeld. De gewenste positie van de kin wordt in verhouding tot die kenmerken bepaald. [1] [2] [10]

Pas daarna krijgt de implantaatdikte betekenis. Bij de ene patiënt kan 4 mm passend zijn, bij een andere 6 of 10 mm. De methode van Fanous en Yoskovitch koppelde verschillende implantaatdiktes aan de bestaande kincontour en gebruikte ze niet als algemene norm voor een natuurlijk resultaat. [3]

Conclusie

Er bestaat geen ideaal aantal millimeters dat automatisch een natuurlijk resultaat geeft. Een implantaat van 4, 6 of 10 mm kan in een bepaalde situatie passend zijn, maar het getal alleen voorspelt niet hoe de kin er uiteindelijk uitziet.

De uitgangspositie van kin en kaak, de verhoudingen van het gezicht, de dikte van het zachte weefsel, de breedte en de verticale hoogte bepalen samen het eindbeeld. Onderzoek naar genioplastiek laat bovendien zien dat een verplaatsing van het bot niet altijd één op één zichtbaar wordt aan de buitenkant.

Met 3D-planning kunnen de chirurg en de implantaatontwerper uitgaan van de werkelijke anatomie en de beoogde contour. Ook dat blijft echter een hulpmiddel bij de planning en geen garantie op een bepaald esthetisch resultaat.

FacialNexus kan helpen bij de coördinatie tussen patiënt, implantaatontwerper en chirurg en bij de niet-medische praktische stappen rondom het traject.

Veelgestelde vragen

Is 6 mm genoeg voor een kinimplantaat?

Er is geen vaste maat die voor iedere patiënt voldoende is. In één gepubliceerde methode werd ongeveer 6 mm centrale dikte gebruikt bij bepaalde licht bolle kincontouren. Die keuze was gebaseerd op de bestaande vorm van de kin, niet op een algemene 6-mm-regel.

Is een kinimplantaat van 10 mm te groot om natuurlijk te ogen?

Een centrale dikte van 10 mm valt binnen de maten die in de literatuur over kinimplantaten worden beschreven. Dat betekent niet dat 10 mm voor ieder gezicht geschikt is. De uitgangspositie van de kin, de kromming van de kin, de hoeveelheid zacht weefsel, de breedte en de overige gezichtsverhoudingen blijven bepalend.

Hoeveel beweegt het zachte weefsel mee na een kinverplaatsing?

Onderzoek laat zien dat het zachte weefsel de botverplaatsing meestal volgt, maar niet volgens één vaste verhouding. In één studie kwam 1 mm botverplaatsing bij een bepaald meetpunt overeen met ongeveer 0,8 mm verandering van het zachte weefsel. Andere studies vonden andere verhoudingen, afhankelijk van de gebruikte techniek en de onderzochte patiëntengroep.

Kan 3D-planning vooraf de juiste projectie van kin of kaak laten zien?

Met 3D-planning kan de anatomie van de patiënt worden gemodelleerd. De techniek kan helpen bij het plannen van extra volume, een botverplaatsing of een patiëntspecifiek implantaat. In onderzoeken zijn hiervoor onder meer CT-gegevens, driedimensionale modellen en 3D-fotografie gebruikt. De simulatie is een hulpmiddel bij de planning en geen garantie voor het uiteindelijke esthetische resultaat.

References

  1. Arroyo HH, Olivetti IP, Lima LFR, Jurado JRP. Clinical evaluation for chin augmentation: literature review and algorithm proposal. Braz J Otorhinolaryngol. 2016;82(5):596-601. doi:10.1016/j.bjorl.2015.09.009.[↩][↩][↩][↩][↩][↩][↩][↩][↩]
  2. Rosen HM. Aesthetic guidelines in genioplasty: the role of facial disproportion. Plast Reconstr Surg. 1995;95(3):463-469. doi:10.1097/00006534-199503000-00004.[↩][↩][↩][↩][↩][↩][↩][↩]
  3. Fanous N, Yoskovitch A. Estimating implant size in chin augmentation: a simplified approach. Can J Plast Surg. 2003;11(3):161-165. doi:10.1177/229255030301100305.[↩][↩][↩][↩][↩]
  4. Mommaerts MY. Guidelines for patient-specific jawline definition with titanium implants in esthetic, deformity, and malformation surgery. Ann Maxillofac Surg. 2016;6(2):287-291. doi:10.4103/2231-0746.200325.[↩][↩][↩][↩][↩]
  5. Chang PC. Computer-Assisted Planning and 3D Printing-Assisted Modeling for Chin Augmentation. Aesthet Surg J. 2018;38(1):1-10. doi:10.1093/asj/sjx071.[↩][↩][↩][↩][↩]
  6. Seifeldin SA, Shawky M, Nouman SMH. Soft tissue response after chin advancement using two different genioplasty techniques: a preliminary technical comparative study. J Craniofac Surg. 2014;25(4):1383-1388. doi:10.1097/SCS.0000000000000863.[↩][↩][↩][↩]
  7. Busquets CJ, Sassouni V. Changes in the integumental profile of the chin and lower lip after genioplasty. J Oral Surg. 1981;39(7):499-504.[↩][↩][↩]
  8. Ewing M, Ross RB. Soft tissue response to mandibular advancement and genioplasty. Am J Orthod Dentofacial Orthop. 1992;101(6):550-555. doi:10.1016/0889-5406(92)70130-3.[↩][↩][↩]
  9. Rios O, Pradel R, Pradel J, Lerhe B, Savoldelli C. Jawline improvement using patient-specific angle implants with virtual planning in orthognathic surgery. J Craniomaxillofac Surg. 2025;53(5):507-515. doi:10.1016/j.jcms.2025.01.024.[↩]
  10. Gomez Y, Zamora N, Tarazona B, Bellot-Arcís C, Paredes-Gallardo V. Cross-sectional human study of soft tissue chin thickness in adult patients in relation to sex, facial pattern and skeletal class. J Craniomaxillofac Surg. 2017;45(8):1205-1211. doi:10.1016/j.jcms.2017.04.002.[↩][↩][↩]

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *